Internet Protocollen

Deze pagina gaat over protocollen. Wat zijn dit en welke worden het meeste gebruikt op het Internet.

Computers in een netwerk gebruiken protocollen. Dit is software die de afspraken over de coderingswijze bevatten. Novell Netware bijvoorbeeld gebruikt protocollen met de naam IPX/SPX. Op het Internet gebruikt men de zogenaamde TCP/IP protocollen. TCP/IP is geschikt voor vrijwel elke computer. Dat blijkt ook uit het feit dat op het Internet heel veel verschillende computers zijn aangesloten. TCP/IP wordt gratis bij Microsoft Windows geleverd. Wilt u dit installeren moet u in het configuratie scherm op netwerk klikken. Klik dan op toevoegen en dan op protocol. Klik als merk Microsoft. Klik hier op TCP/IP en klik op OK.

Toch zijn er op het Internet netwerken te vinden die niet van de TCP/IP-techniek gebruik maken. Voorbeelden hiervan zijn: CompuServe en FidoNet. Toch kunnen deze deel uitmaken van het Internet. Dit gebeurt door speciale gateways. Dit zijn een soort vertaalcomputers.

In netwerken zijn bepaalde computers routers. Elk netwerk bevat gewone machines (deze worden hosts genoemd) en uit een of meer routers die de verbinding met andere netwerken verzorgen. Een pakketje data dat van een host naar een andere host moet passeert een aantal routers van een aantal tussenliggende netwerken. Als dus bijvoorbeeld een pakketje data van host A naar E zou moeten worden getransporteerd zou het de route: A-R1-R3-R2-E kunnen volgen.

Routering
Data overdracht van host A naar host E. R.. staat voor router. De letters voor hosts.

Een router moet dus een beslissing nemen:

  • Als het de bestemming van het netwerkpakket binnen het netwerk ligt, lever het dan af. Dat is op het plaatje het geval dat als R2 een pakket binnenkrijgt voor host E.
  • Ligt de bestemming van het netwerkpakket niet binnen het netwerk lever het dan af aan een router van het dichtstbijzijnde netwerk. Dat is op het plaatje het geval als er bij R3 een pakketje van R1 binnenkomt.

Het nemen van dit soort beslissingen wordt routering genoemd, daarom heten de machines die dit doen routers.

Op alle routers komt dus IP-software voor, maar ook op de hosts. Want host A moet dus zorgen dat het via R1 naar R3 moet en ga zo maar verder.

Het is mogelijk om al deze routers (ook wel hops genoemd) op een kaart te zien krijgen. Hiervoor kunt u bijvoorbeeld het programma Visual Route gebruiken. U typt dan een IP adres of DNS naam (bijvoorbeeld: www.euronet.nl/~icu09125) en u ziet alle hops op het scherm. Ook ziet u of er time outs of zoiets dergelijks optreden. Klik hier om naar de website van Visual Route te gaan.

Waar ziet een router aan voor welke machine het pakketje is? Het antwoord verschild niet veel met hoe het bij de PTT in z'n werk gaat. Een router ziet aan het IP-adres voor welke machine het is. Een IP-adres bestaat uit 4 getallen met punten er tussen. Een voorbeeld van een IP-adres: 196.24.234.30 . Zoals u ziet zijn het nummers van 0 tot 255.

Het IP-protocol is ook heel bijzonder omdat het met elk soort netwerk overweg kan. Van X.25 netwerken tot Digitale Telefoonnetwerken.

Maar... wat is dan het TCP-protocol (Transmission Control Protocol)?

Het IP protocol zorgt ervoor dat er communicatie tussen machines mogelijk is. Maar niet tussen verschillende processen. Bijvoorbeeld tussen een database-server en een database-client is geen communicatie mogelijk met IP. Daarom is er het tweede Internet protocol: Transmission Control Protocol (TCP). Hieronder word beschreven hoe er een boodschap van een database-client naar een database-server kan worden verstuurd.

  1. De database-client 'vraagt' aan de TCP-software een boodschap naar de database-server te sturen.
  2. De TCP-software maakt het pakket klaar en voegt daaraan toe dat het het pakket is verstuurd door de database-client en dat het bestemd is voor de database-server. Deze aanduiding gebeurt door middel van een poortnummer. Het poortnummer geeft aan welke dienst gewenst wordt.
  3. Voordat dit pakket door de netwerkdriver op het netwerk wordt gezet wordt het overgedragen aan de IP-software.
  4. De IP-software voegt aan dit pakket de IP-adressen van de zendende machine en de ontvangende machine toe.
  5. Het pakket wordt nu pas door de netwerkdriver op het netwerk gezet.
  6. Het pakket komt aan bij de bestemming.
  7. Op de machine van de database-server (de bestemming) wordt opgemerkt dat dit pakketje voor de database-server is en overhandigt dit pakket aan de database-server.

Als het u verbaast dat het nodig is om aan te duiden voor welk proces een pakket bedoeld is moet u eens indenken dat op een UNIX systeem tientallen tot honderdtallen processen actief kunnen zijn op dezelfde machine.

Aan de TCP/IP-techniek wordt meer aandacht besteed dan aan andere protocollen op deze website, desondanks vindt u hieronder informatie over meer protocollen.

ARP (Adres Resolution Protocol): Het ARP is een soortgelijk protocol als het IP protocol. Alleen verzend het geen data over meerdere netwerken maar data over meerdere computers in een netwerk. Van host naar host. Voor duidelijke uitleg kunt u naar de tekening kijken. Hiervoor moet u iets naar boven scrollen. Het ARP zendt een oproep naar alle machines binnen het netwerk en de host die zich aangesproken voelt reageert.

FTP (File Transfer Protocol): Voor het uploaden en downloaden van bestanden van het Internet wordt vaak gebruik gemaakt van dit protocol. Dit gebeurt meestal via een programma. Er zijn verschillende freeware programma's in de omloop. Als u bijvoorbeeld Microsoft Internet Explorer 5 wilt downloaden kunt u bijvoorbeeld via een FTP programma werken.

HTTP (Hypertext Transfer Protocol): Dit protocol is verantwoordelijk voor communicatie op het World Wide Web. Voor het Internet zelf wordt onder andere gebruikt gemaakt van het FTP protocol.

Telnet: U kunt met het telnet protocol direct op een andere computer mee werken. Het nadeel is dat u niet een grafische omgeving te zien krijgt, maar een terminal. Een aantal providers bieden via telnet de mogelijkheid om de cliënt gegevens te laten veranderen. U kunt heel simpel via Windows 9.x telnetten: Klik op 'Start', klik op 'Uitvoeren', type 'telnet '. (aanhalingstekens niet overnemen)

DNS (Domain Name Server): Voor dit protocol is er een aparte pagina beschikbaar. Klik op DNS in het navigatie frame.

POP3 (Post Office Protocol versie 3)Met het POP3 protocol kunt u e-mail ophalen vanaf uw server. Het is echter niet mogelijk om met dit protocol e-mail te versturen. Daarvoor is er een ander protocol dat SMPT wordt genoemd. Informatie hierover vindt u hieronder.

SMTP (Simple Mail Transfer Protocol): Om berichten te versturen gebruikt u het SMPT protocol. Vandaar dat u altijd een POP3- en een SMTP adres van uw provider krijgt.